Binnen twee maanden zal een nieuwe nieuwsgierige lichting onze scholen vullen: de leerlingen uit groep 8. Één van hen is mijn dochter en van heel dichtbij ervaar ik voor het eerst die overgang.

Daar staat ze. Mijn dochter van elf, zo zacht als een elfje en zo krachtig als een tijger. Haar lange benen in een panterjeans, een geel shirt erboven met ‘treasure the wildness’. Haar rode regenlaarzen die ze bijna dagelijks draagt zijn bij uitzondering ingewisseld voor zwarte gympen. Ze vraagt of ze mijn kettinkje mag lenen, en aan de geur te merken bovenaan de trap heeft ze parfum gespoten. Yintel maakt zich op voor de afscheidsavond van groep 8.

Acht jaar geleden stond ze daar, mijn dochtertje van drie, zo zacht als een elfje en zo krachtig als een tijger. Haar korte beentjes staken vanonder een witte tutu, een koraalroze shirtje erboven met een konijntje op een fiets. Sandaaltjes, haartjes, alles was voorbereid op die allereerste dag als piepjonge leerling op school en met ogen zo groot als de tafel van de ridders van de ronde tafel stapte ze de drempel over, haar basisschoolleven tegemoet. De aftelkalender in de gang had precies gezegd hoeveel dagen het nog duurde voor die zenuwen zich zouden omzetten in een kring vol stoeltjes en een vlooiencape aan de kapstok met het schilpadje en nu was het dan zover.
Van die kleine kleuter groeide ze tot een meisje in groep 3, dat ’s ochtends achterop de fiets liedjes zong en dan met haar roze tasje met een blauwe olifant het schoolplein op liep, op naar een nieuwe dag vol letters en cijfers.
Yintel werd groter en kon zich gevoelsmatig steeds beter distantiëren van anderen: ze werd steeds meer zelf iemand, een eigen individu in de klas. Juf Annemieke gaf haar in groep 4 precies de wind in haar elfenvleugeltjes die ze nodig had en ze groeide dat jaar zeker drie meter. Ik weet nog hoe ze zo graag zomaar een spreekbeurt wilde houden over tijgers en hoe alle kindjes daarna geschminkt in de klas zaten. Yintel stond zo vreselijk trots met dat geschminkte gezicht te vertellen over WNF en dat tijgers de enige katachtigen zijn die van water houden dat ik water in mijn ogen kreeg – mijn elfentijger stond haar passie te delen en het stond haar zo verschrikkelijk goed. De juf haalde alle kracht naar boven en het was precies hoe ik vond dat juffen moeten zijn: door liefdevolle aandacht de volle potentie uit een kind laten barsten. Juf Isabelle ging daar het jaar erna mee door en Yintel sprankelde steeds meer.
In de bovenbouw veranderde ze nog verder. Steeds meer werd duidelijk hoe Yintel als leerling in elkaar zat en dat jaar kon ze misschien wel voor het eerst met een gelukkig hart achterover leunen: ze wist wat ze kon en wilde en kon zelfstandig bewegen.
Toen verhuisden we. Met grote tranen nam ze afscheid en bij de start in groep 7 heeft ze maandenlang haar hart gesloten voor nieuwe vriendschappen. Het verdriet was nog te vers om zich te binden aan het nieuwe huis en de nieuwe school en nieuwe kinderen en zo woonden wij in een klushuis, maar was de grootste klus het hart van Yintel gelukkig krijgen. Het lukte. Juf Angelique en juf Gerda zagen precies de schoonheid en uitdaging van Yintel en langzaamaan opende ze zich en konden er nieuwe meiden in haar vriendinnenhart komen wonen. Heel groep 7 groeide en verdiepte zich dat en toen groep 8 begon met lieve juf Nikki en lieve meester Albert was er nog altijd die steady, heerlijke vriendinnengroep. Een groepje vol meisjes met dezelfde liefde voor dikke boeken lezen, Minecraft, bij de lammetjes kijken, trampolinespringen, Harry Potter en spelletjesmiddagen. Urenlang stepten ze en kletsten ze en van een afstand zag ik hun okselharen groeien en hoorde ik de gesprekken over lievelingsschrijvers en toekomstige beroepen.

En ineens was daar corona. Van klein kleutertje dat opkeek naar de kinderen in groep 8 en uitkeek naar al die leuke dingen die alleen bestemd waren voor die supergrote kinderen, zo was zij nu zelf een kind in groep 8. Maar niet met die leuke dingen. Geen kamp met heel veel dagen ver van huis, geen afscheid met een zaal vol docenten, geen erehaag van alle leerlingen, geen eindtoets en niet gillend door de gangen rennen terwijl je snoep strooit als een koningin. Niets van dit. In plaats daarvan waren er maanden van thuisonderwijs, waarbij Yintel bijna geen vriendinnen zag omdat het allemaal te gevaarlijk was om iemand in ons huis te laten en ze haar meester en juf alleen ontmoette via het scherm. Ze deed het subliem, dat thuisonderwijs, maar haar bovenbouwhart werd verdrietig.
Toen ging de school weer open en floot ze zo hard op haar fiets dat alle vogels meededen. Even later kwam de boodschap dat de kinderen weer dicht bij elkaar mochten staan en er werd gelachen en gespeeld en plots sprongen er weer allemaal tieners op de trampoline.
De school zette alles op alles om de afsluiting van dit laatste jaar zo fijn en bijzonder mogelijk te maken. Ook op deze school bleken meesters van meesters en juffen te bestaan: ze draaiden een eindprogramma in elkaar met alternatieven voor het gewone en er volgde een prachtig mini-kamp met herinneringen voor het leven. ‘Treasure the wildness’ staat er op haar nieuwe shirt en dat doet ze met alle overgave.

En nu, nu is het dus de allerlaatste schoolweek op de basisschool. Die week met de afscheidsavond waar ouders samenkomen en met tranen in hun ogen kijken naar de eindfilm, die week waarin de kinderen afscheid nemen van het gebouw, de leerkrachten en de klas. Die week, deze afsluitweek, waarvan Yintel zo heel diep proeft dat het écht een afsluiting is, een afscheid, een laatste bladzijde in een boek. Ze voelt het en inhaleert zo diep mogelijk alle geluk en plezier die ze nog kan voelen.

Slechts één keer knipperde ik met mijn ogen en mijn kleine kleutertje werd een leerling uit groep 8. Nog zes weken en dan begint de nieuwe fase: de middelbare school. Wat zal ze de kennis opzuigen en de creativiteit omarmen. Wat zal ze genieten van alle nieuwe contacten en nieuwe kennis. Wat zal ze bikkelen en moeten wennen aan een weekplanner en haar weg vinden in een nieuw gebouw met nieuwe docenten. Ze zal doorweekt thuiskomen van de fietstocht en ik zal net als mijn moeder twintig jaar geleden tosti’s voor haar maken. Ik zal haar vragen hoe het was op school en ze zal antwoorden met ‘Goed’ en verder zo weinig mogelijk delen met die veel te nieuwsgierige moeder. Ze zal me ontwijken als ik haar probeer de knuffelen en stampend naar boven rennen omdat ze een onvoldoende heeft en we de stomste ouders van de wereld zijn.
En als ik haar dan vanachter het behang heb geplukt, zal ik haar door mijn tranen heen aankijken en het vuur in haar ogen zien. Ik zal trots zijn, op dat vuur in haar. Dat vuur, waarmee ze haar schooltijd begon, doorliep en afsluit. Het vuur waarmee ze het leven leeft.

Mijn grote kind op de grote school – dat wordt een heel nieuw boek met nieuwe verhalen in haar hart en nieuwe verhalen uit mijn pen.